Aandacht voor dementievriendelijk Brabant in Zorgvisie

We moeten als samenleving dementievriendelijk worden

Interview met Wies Arts, programmamanager Dementievriendelijk Brabant
Bron: Zorgvisie

Op dit moment hebben ruim 270.000 mensen in Nederland dementie. In 2040 zullen dat er ruim een half miljoen zijn. Dementie is afgrijselijk voor degenen die er mee te maken krijgen. Gelukkig komen er steeds meer interventies met een positieve benadering die de kwaliteit van leven vergroten. Deel 3 van een serie van 4: hoe dementievriendelijke gemeenschappen kunnen helpen.

In 2012 startten in Noord-Brabant en Vlaanderen acht gemeenten een vierjarig traject om dementievriendelijke gemeenschappen te vormen. Al tijdens de looptijd van het programma sloten 25 extra gemeenten aan. De Nederlandse aanjagers van dit proces zijn de Programmaraad Zorgvernieuwing Psychogeriatrie (PGraad) en maatschappelijk adviesbureau Zet.  Het programma wordt gefinancierd door provincie Noord-Brabant.
Programmamanager Wies Arts somt enkele van de tien doelstellingen op: ‘Taboes doorbreken, beter contact tussen generaties en kennis over dementie vergroten. En ook: kijken naar wat mensen met dementie nog wél kunnen.’ Inmiddels doen 57 van de 62 Brabantse gemeenten mee aan de beweging om dementievriendelijk te worden.

Steen in de vijver

Die beweging op gang helpen, versterken en borgen is precies wat de adviseurs van Zet namens de PGraad doen. Het begint er altijd mee dat iemand een steen in de lokale vijver gooit, weet Arts. ‘Dat kan een mantelzorger zijn, een raadslid, een organisatie, noem het maar op. Als er vervolgens contact komt met Zet, dan is een eerste stap in het traject vaak met een kleine initiatiefgroep een publieksbijeenkomst organiseren om bewustwording en kennis te delen. Over het ziektebeeld, maar vooral ook over wat de omgeving kan betekenen. Iedereen krijgt in het dagelijks leven steeds vaker met dementie te maken. In de familie, op straat of op het werk. Als samenleving moeten we dementievriendelijk worden, dus leren hoe we met mensen met dementie om kunnen gaan. En hoe we hen betrokken kunnen houden, zodat ze gewoon hun boodschappen kunnen doen, en naar de sportclub of het koor kunnen blijven gaan.

Bankfilialen en sociaal ondernemers

In de initiatiefgroep zit veelal ook een lokale kartrekker, vertelt Arts. ‘Dat kan in principe iedereen zijn: een casemanager, een gemeentelijke beleidsmedewerker, of de plaatselijke afdeling van de Lions. Als procesbegeleider helpen we het lokale netwerk uitbouwen. Denk naast de partijen in zorg en welzijn aan de bibliotheek, bedrijfsleiders van supermarkten en bankfilialen, sociaal ondernemers. Wij helpen het netwerk met reuring maken en voeden het met kennis en goede voorbeelden en we helpen de impact zichtbaar maken. Ook agenderen we nieuwe thema’s zoals dementie bij mensen met een verstandelijke beperking of mensen met een migratie-achtergrond.’

Microniveau

‘Wij proberen echt de vertaalslag naar het microniveau te maken’, zegt Arts. ‘We helpen focus aan te brengen. Het netwerk kan niet alle tien doelstellingen tegelijk aanpakken. Waar begin je mee? Soms is lokaal als doelstelling geformuleerd: iedereen moet geschoold worden. We helpen dan om de stappen kleiner en concreter te maken. Met welke groep begin je? En hoe pak je het aan? En we stimuleren dat het ook leúk blijft, dat er aansprekende activiteiten komen.’ Soms is het ook een kwestie van creativiteit kanaliseren. ‘Daarmee voorkomen we dat initiatieven verzuipen, dat de energie weglekt. Als iemand vol geestdrift roept dat hij op scholen aan de slag wil, dan helpen wij om dat daadwerkelijk voor elkaar te krijgen. Zodat een leerling waarvan de oma dementie heeft, haar beter leert begrijpen en een goede band met haar kan houden. Dat bedoel ik met de vertaalslag naar het microniveau. We werken als procesbegeleiders bovendien aan borging van de netwerken; de kartrekker is belangrijk, maar mag niet onvervangbaar zijn.’

Warme zorg

Een van de tien doelstellingen van het eerste uur is ‘warme’ zorg bieden, zoals Arts het noemt. ‘De medische zorg koppelen aan welzijn. Vaak is de zorgstructuur rond mensen met dementie best goed op orde. Maar daarmee ben je er niet. Want mensen met dementie kunnen nog zó veel.’ Het is belangrijk om daar voldoende aandacht voor te hebben. En buiten het geijkte aanbod van de dagbesteding vanuit de Wmo te kijken, betoogt ze. ‘Misschien kan iemand van de biljartclub meneer brengen en halen, misschien kan een vrijwilliger uitstapjes maken met mevrouw. Of misschien kan iemand met dementie zelf nog als vrijwilliger aan de slag in het buurthuis.’ Het streven naar de dementievriendelijke gemeenschappen sluit hier naadloos aan bij de sociale benadering van Anne-Mei The: als de samenleving als geheel dementievriendelijk is, zijn de micronetwerken rondom mensen met dementie eenvoudiger te realiseren.

Netwerken koppelen

In deze tijd, waarin het zorgnetwerken sterk in zwang zijn, is het zaak netwerken aan elkaar te koppelen, vindt Arts. Als beloftevolle stap noemt ze de nog prille samenwerking met het Radboudumc Alzheimer Centrum. ‘Hun DementieNet heeft de zorgaspecten als vertrekpunt, en “onze” dementievriendelijke netwerken richten zich vooral op de sociale en maatschappelijke aspecten. We proberen elkaar te versterken. Dán zetten we een grote stap voor mensen met dementie. Dat kunnen we in heel Nederland gaan doen.’

Door de oogharen 

Over netwerken gesproken, is er onderhand geen overvloed aan netwerken, waardoor dubbelingen en concurrentie kunnen ontstaan? Arts bemerkt wel eens zo’n houding bij gesprekspartners, maar die pareert ze dan bedreven: ‘Of je nu eenzaamheid of ggz-problematiek, of wat dan ook als aandachtsgebied hebt; als je door je oogharen heen kijkt, zie je dat de problematiek parallel loopt. Het gaat steeds om kwetsbare inwoners die langer thuis blijven wonen en de vraag hoe we dat als samenleving meer inclusief kunnen oppakken.’